<  1/25  >
 

<  2/25  >
 

<  3/25  >
 

<  4/25  >
 

<  5/25  >
 

<  6/25  >
 

<  7/25  >
 

<  8/25  >
 

<  9/25  >
 

<  10/25  >
 

<  11/25  >
 

<  12/25  >
 

<  13/25  >
 

<  14/25  >
 

<  15/25  >
 

<  16/25  >
 

<  17/25  >
 

<  18/25  >
 

<  19/25  >
 

<  20/25  >
 

<  21/25  >
 

<  22/25  >
 

<  23/25  >
 

<  24/25  >
 

<  25/25  >
 



Too Lame For Fame (TTTT15)
Opening Thursday 16 October 2014 (19h-00h)
17-18-19 + 25-26 October (14h-20h) and by appointment.
Jelle Spruyt and Dieter Ravyts

"Too Lame For Fame: Jelle Spruyt and Dieter Ravyts in a joint exhibition, which attempts to reveal and undermine the underlying principles of the art world - an endeavour that is destined to fail before it has even started."
Join this event on Facebook


Een gesprek tussen Dieter Ravyts, Jelle Spruyt en Godart Bakkers de avond voor de opening:
D: heb je vragen voorbereid of zo? G: Nee. Misschien voor de hand liggende vragen, hoe jullie werken zich tot elkaar verhouden, of ze zich uberhaubt tot elkaar verhouden… D: Ik denk dat we uiteindelijk wel met verschillende dingen bezig zijn, maar ik vind wel dat ze bij elkaar passen. G: Toen we het idee hadden om iets met jullie samen te doen was het vooral op inhoudelijk vlak, omdat jij met deze werken het kunstenaarschap op een bepaalde manier etaleert. En Jelle neemt met zijn werken ook een bepaalde positie in ten opzichte van heel dat kunstbegrip. Jelle’s werken zijn soms haast, zonder dat oneerbiedig te zeggen, haast parodieën op kunstwerken. Misschien hebben ze beide ook wel iets idioots in zich, waar de een het kunstwerk benadert en de ander het kunstenaarschap… en formeel passen de werken eigenlijk ook wel bij elkaar. Ik denk dat het ook wel een van de meer klassiekere exposities is die we hier gehad hebben, dan past het wel om met dergelijke thema’s te spelen. D: Die vorige expo was toch ook wel redelijk klassiek? G: Ja, maar dat was ook wel een beetje hoe Ben dat naar zich toegetrokken had. In ieder geval, ik had wel een moment dat ik dacht dat het helemaal nergens op zou slaan, nu vind ik dat het wel klopt eigenlijk. Ik ben vooral ook blij dat de eigenheid van beide nog behouden is. Jullie werken verschillen inderdaad genoeg, anders krijg je zo van licht groen met donkergroen of zo, dat past net niet naast elkaar. J: Maar ik vind ook dat het wel echt een geheel is. G: Ik zit ook te denken he Jelle, ik ga het even doen nu, als ik deze nu weghaal dan wordt die ruimte al een stuk opener. Misschien dat we die hier bijvoorbeeld kunnen hangen of ergens anders. Laten we dit anders nog even bewaren voor morgen en kijken of we er dan iets mee kunnen doen. Hoe verhouden jullie werken zich eigenlijk tot de kunst in het algemeen? En ik wil nu niet al te bombastisch gaan klinken… J: Er zit humor in, de spot, ik denk dat dat heel belangrijk is. D: Het is ergens… Dat de werken een zeker cynisme hebben. Die zakken bijvoorbeeld, die vind ik vrij cynisch. Maar tegelijkertijd is het bij ons allebei ook wel zeer arbeidsintensief zeker als het doel was cynisch te zijn. J: Dan kom je ook weer op die ambacht denk ik. D: Ja, voor mij was het ergens wel grappig om je eigen werk aan te kondigen als werk binnen je eigen oeuvre. Ook het fysieke aspect van schilderkunst vind ik belangrijk. Ik kon dit aspect heel erg in de verf zetten, maar ik koos er voor om dat juist te doen lijken of een machine het gemaakt had. Daardoor leg je nog meer de nadruk op dit fysische schilderkunstige aspect. G: Misschien is dat iets waar jullie werken heel erg in verschillen, dat in de werken van Dieter de onvolkomenheden de kracht van het werk vergroten. Bij Jelle zijn de werken haast perfect. Als Jelle bijvoorbeeld zijn duiven verkeerd genaaid zou hebben, dan zou dat afbreuk doen aan het werk, het zou dan simpel gedaan zijn of zo. J: Dat is ook mijn frustratie binnen de hedendaagse kunst. Als ik op een tentoonstelling kom denk ik regelmatig “van kom op mannen”, wat is dit hier. G: Maar hoe zie jij die imperfecties dan binnen het werk van Dieter? J: Ik vind dat een moeilijke vraag. Ik vraag me af; “kies jij ook van hier komt een fout in of niet? D: Nee nee nee. J: Dat is toeval? D: Dat is sowieso toeval, want eigenlijk mijn doen, zeker in het begin, was echt de strijd aan te gaan met een soort van… Je hebt zo’n volkslegende in Amerika die ik ook wel interessant vind. Er is zo’n machine uitgevonden om treinspoor te leggen, vroeger gebeurde dit manueel. Er is een man die de strijd die de sporen manueel aanlegde die de strijd met de machine aan wil gaan en denkt hem te kunnen verslaan. Er wordt een soort van race georganiseerd waar de machine en hij naast elkaar een spoor aanleggen. Uiteindelijk wint hij met een spaak van de machine maar valt vlak daarna dood. Dat vond dit wel een mooi verhaal. Ik wou ook die strijd aan gaan met die machine, maar uiteindelijk draait het niet om te winnen, het mooie is dat er imperfecties zijn, maar mijn doel op zich was wel de perfectie. Zeker in het begin ben ik ook vaak opnieuw begonnen. Vanaf dat ik een fout maakte begon ik opnieuw. Ik kon bijna een volledige poster geschilderd hebben en zodra er een fout in zat begon ik opnieuw. G: En dat heb je ook regelmatig gedaan? D: Dat heb ik zeer vaak gedaan. En na een tijd werd dat gewoon veel te absurd, ik was een poster gewoon veel te vaak aan het maken en ik begon dan ook de schoonheid in te zien van de imperfecties, dat daar ook juist de kracht van dat werk in zit. Ik merk vaak dat mensen die niets van schilderkunst af kennen een schilderij benaderen alsof het een afbeelding is. In één oogopslag denken ze het werk te hebben doorgrond. Maar een schilderij is niet zomaar een afbeelding, het is een manueel vervaardigd iets, ik hoop dat ik op een subtiele manier dit heb kunnen duidelijk maken aan de kijker. Het is in dat opzicht ergens ook een ode aan de schilderkunst. Het is eigenlijk ook het eerste deel van een trilogie dat hiermee wordt aangekondigd. J: Wat ik haal uit schilderkunst zijn structuren. Ik ga in mijn werk ook op zoek naar structuren. Zelfs in dat beeld, als dat dichter bij mijn werk komt ga je structuren beginnen ontdekken. D: je hebt ook al materiaalkeuze dat je hebt. Je hebt bijvoorbeeld gekozen om een bepaalde stof te gebruiken, dat kan evengoed een schilderkunstig iets zijn. G: Ik denk ook dat zoals die grafische vorm bij jou geladen is, een bepaalde betekenis en esthetiek heeft, bij jou materiaal, zoals bijvoorbeeld die zakken, even hard geladen is. Dat is bij jullie beide een element dat je uit zijn context haalt en waar je doelbewust speelt met de verwachtingen die daar omheen zitten. D: Mocht je bijvoorbeeld een canvas opspannen met enkel dat patroon dan zou je meteen moeten denken aan dergelijke zakken. G: Het zou me tegelijkertijd ook aan Daan van Golden doen denken. D: Ik zou dat zelf niet doen, maar ik vind dat wel krachtig dat bijvoorbeeld een bepaalde vorm of een bepaalde kleurencombinatie , een zekere geladenheid of inhoud in zich draagt. J: Ik heb ook heel lang gezocht naar de juiste stof voor deze zakken, maar je kan geen ander materiaal vinden dan deze zakken. Ik heb voor elke zak een andere zak gebruikt. Ik heb nu echt gekozen om in elk object een volledige zak te gebruiken. Ook dat lint is het originele lint van een zak. Ik heb dat volledig met de hand uit elkaar gehaald en daarna weer volledig op een andere manier in elkaar gezet. D: Ik vind dit wel erg sterk werk. G: Ook wat jij net zij inderdaad, hoeveel werk je ergens in stopt om zogenaamd een grap te maken, het is natuurlijk niet zomaar een grap of zo, maar wel… Ik denk dat dat komische aspect binnen jou werk ook wel heel belangrijk is, ik weet niet hoe jij dat ziet. J: Ik vind dat wel heel belangrijk ja. G: Maar wat vind je er dan belangrijk aan? J: Die humor? Dat is ook om het luchtiger te maken ook. D: Ik denk dat je bij jou werk ook zeker op het verkeerde been wordt gezet. J: Ik wil mensen ook op een andere manier met een bepaald thema in contact brengen. Neem nu mijn laatste werken, dat gaat over vluchtelingen, het klassiek beeld dat wij hebben van vluchtelingen zijn van die uitgemergelde mensen, pure horror beelden en die raken ons niet meer. Ik denk dat we mensen op een andere manier moeten benaderen en dat humor daarvoor aangewezen is. G: Wat ik me afvraag is of er dan ook een gevoel achter zit van ik wil dat mensen daar bewust van worden, of ik wil dan mensen bezig zijn met die vluchtelingen problematiek. J: Ik ben daar mee bezig. Voor mij is dat een esthetische uiting. Wil ik mensen daar van bewust maken? Ik voel me daardoor aangesproken als mens in deze maatschappij en ik wil een kritiek geven op deze maatschappij, mijn reflex op de maatschappij. D: Maar ben je dan niet wat te cryptisch? Heb je dan, maar dat is natuurlijk ook stom en daar hadden we het gisteren ook al over, je wilt natuurlijk ook niet dat je werk gewoon een illustratie is van een concept. Hier zit dat heel goed denk ik, maar bij andere heb je misschien iets meer context nodig. Toen ik in het begin het communisme hoorde vallen binnen jou werk had ik al een beter idee waar het over ging. J: Voor mij is dat ook gewoon… D: Ik ga nu gewoon eens lopen, als ik dit zie dan denk ik aan de regenboogvlag en aan vredesduiven. Een hogere en lagere, wellicht ook dode duiven. J: Voor mij was dit werk echt van “oké, wat is het dierbaarste bezit van een kind, buiten zijn familie?” dat is zijn teddybeer en dat is juist het gene dat altijd wordt achtergelaten. Je ziet nooit een stroom vluchtelingen lopen met dan een kindje met een teddybeer.
D: Daar was zeker geen tijd voor hé. J: Nee dat moet gewoon zo rap mogelijk weg, dus al de bezittingen blijven achter. D: Dus eigenlijk is dat van verschillende kinderen hun teddybeer. J: Ja voor mij is dat een massagraf van teddyberen voor kinderen. Ik probeer gewoon die gedachten om te zetten naar een abstract realisme, als je dat zo kan noemen. Ik zeg altijd; “mijn doel is aan het einde van mijn leven een streep op de muur te kunnen zetten die perfect staat”. Als ik dan denk aan Raoul De Keyser, dat is een abstractie die gewoon perfect zit. G: Zou jij je werk abstract noemen? Ze zijn natuurlijk wel een bepaalde vorm van abstractie, maar het is… Wat jij dan ook zegt over dat massagraf, het heeft wel allerlei referenties. J: Ik heb ook niet het gevoel dat ik abstract werk maak, maar ik denk wel dat ik daar naar toe aan het werken ben. D: Ik denk ook dat het bijna een droom is om abstract werk te maken dat iedereen begrijpt. Ik begrijp die wens heel goed… J: Dat is ook een utopie hé. En ik wil ook niet de pretentie hebben van twee balken in een ruimte leggen en dat is dan mijn werk, op mijn leeftijd… Ik kan dat niet doen. D: Ik hou van werk waar je merk dat het oprecht is, het kan dan niet mijn smaak zijn, maar dat gevoel moet er wel zijn en bij jou heb ik dat zeker. Je merkt dat je meent wat je doet, anders zou je er ook niet zoveel tijd in kunnen investeren. J: k heb ook vaak als ik in een schilderij of een tekening een potloodlijn zie, dan stoort mij dat, en bij u heb ik dat niet omdat dat uw authenticiteit juist benadrukt. De ambacht komt naar voren. G: Dat je ziet hoe je die S gemaakt heb, dat de B een dubbele acht is. Nog even over die invloed… Vind je dat door die werken samen te zetten de betekenis verschuift? D: Ik vind het wel boeiend dat mijn werk samen met jouw werk hangt, maar moest ik een solo doen dan zou ik dat nooit zo tonen, deze drukheid, dat is ook mijn karakter niet. J: Ik vind dat ook, als het werk uit het atelier geraakt gaat het naar een samenleving, en die samenleving is nu eenmaal confrontatie. G: Eigenlijk sluit dat machinale van Dieter’s ook goed aan bij Jelle, dat zou zo uit een Chinese fabriek gerold kunnen zijn. D: Daarom vind ik het, en sorry dat ik je onderbreek, ook interessant om dat menselijke tegenover dat machinale te zetten. Een soort doorgedreven geloof in de wetenschap dat alles maar kan en dat het beter zal worden. Ik vind dat vandaag ook jammer dat kunst zo ervaren is als losgebroken van de maatschappij. Als kunst een reflectie is van de maatschappij dan is het in onze maatschappij gewoon een product om te verkopen, of toch als je er voor kiest je werk te positioneren op de kunstmarkt. Als je bijvoorbeeld begin 20e eeuw keek naar het futurisme dat was een uiting van de vooruitgang. Dat geldt voor al die bewegingen, die vallen terug te koppelen op de maatschappij waaruit ze ontstaan zijn. De dag van vandaag is dat volgens mij allemaal weg. Ook de Afrikaanse cultuur waar het verbonden was met rites en de gehele samenleving, dat zie ik nu toch niet echt meer. Nu, bijvoorbeeld, zie ik niet meer mensen naar het museum gaan en spugen op een schilderij. Het kapitalisme heeft dat geheel geïncorporeerd en het zijn gewoon producten geworden. Het is op die manier natuurlijk dan wel weer een afspiegeling van onze maatschappij. G: Het is ook omdat alles kan dat het ergens allemaal niets meer uitmaakt. Ik denk dat de gehele kunstervaring veranderd is, het is meer een soort ‘zap-cultuur’ waar men naar iets kijkt en als het ze niet bevalt dan drukt het op een knopje en kijkt het naar iets anders. Dat is ook waarom er binnen de kunstkritiek weinig negatieve geluiden te horen, als het niet goed is dan druk je gewoon op het knopje en kijk je naar iets anders. Niet meer de aandacht om dingen echt te kaderen. Ik kan me ook heel goed voorstellen dat bij die werken van Jelle, om nu maar even Jelle als voorbeeld te nemen, dat er ook veel mensen zijn die als een eerste reflex zo iets hebben van “wat is dit voor kinderspeelgoed” en daar vervolgens dan ook een beetje in blijven hangen. Dat ze niet de moeite nemen om te kijken waar het echt over gaat, van wat is hier aan nu de hand en waar gaat het eigenlijk over. Het is gewoon iets plats, puur omdat de formele esthetiek daarna refereert en dan blijft het dat ook. Op zich kan je mensen dat ook weer niet echt kwalijk nemen. D: Het is ook gewoon de context. Soms kijk ik liever in een boek naar kunst dan dat ik in een museum tussen al die mensen naar die werken ga kijken. Thuis in een boek is een prettigere sfeer, ik kan mijn tijd nemen, en ik denk dat dat hier ook is. Je komt met honderd man toe, besteld een pintje ziet die griet waar je eigenlijk ook voor gekomen bent, je babbelt wat over de kleurtjes en dat is het dan ook of zo. Ik heb ook wel zo op tentoonstellingen gestaan, zonder dat je echt kijkt naar het werk. J: Ook in musea gaat dat zo. G: En je kan natuurlijk ook niet dingen gaan maken rekening houdend hoe het geïnterpreteerd wordt. J: Ik begin altijd intuïtief. Ik heb zelf ook totaal geen probleem dat mensen werken anders interpreteren. Kinderen kunnen dat bijvoorbeeld wel. Dat hangend ding hier was voor een kind een ijsje dat aan het druppen was. En in een museum kunnen mensen eigenlijk zelf geen interpretatie meer geven aan het werk. Ze geven je het blaadje met het concept, de bedoeling, hoe moet ik hier naar kijken. Ik zie dat zelf ook, je komt een galerij binnen en ze duwen je dat briefje in je hand, ik zeg “ik zal dat mee pakken, maar ik ga dat thuis lezen, ik ga nu rondzien”. D: Het is ook beter om eerst rond te kijken en dan te lezen. Ik vind ook niet erg dat mensen wel zo’n blaadje lezen, ze willen het in ieder geval begrijpen. J: Ik heb al gehad dat ik een galerie binnen kom en dat ik zeg “ik lees het thuis” waarop die galerist zeg “ja, maar dan ga je dit werk niet snappen”. Ik kan daar nog altijd niet uit, dan is dat ook gewoon geen goed werk. Als je dat niets doet op zich, dan heeft het ook geen enkele waarde. G: je hebt ook niet de energie om tachtig of negentig werken goed te bekijken en dan schift je gewoon. Of je kijkt op het papiertje waar hangen de kunstenaars die ik wil zien? En er zijn ook gewoon werken die slecht zijn, je mag dingen ook slecht vinden. Wij hebben hier de luxe om te doen wat we willen, uit te proberen waarvan we denken dat het werkt.